A. Welke bepalingen moeten mee?
Artikel 2.1 Ob Artikel 2.1, eerste lid Ob geeft aan dat in het omgevingsplan in ieder geval regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen moeten worden opgenomen. Dit gaat zowel over bovengrondse activiteiten als ook tijdelijke activiteiten. Artikel 2.1, tweede lid Ob geeft aan welke regels niet opgenomen mogen worden. Dit zijn […]
Artikel 2.1, eerste lid Ob geeft aan dat in het omgevingsplan in ieder geval regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen moeten worden opgenomen. Dit gaat zowel over bovengrondse activiteiten als ook tijdelijke activiteiten.
Artikel 2.1, tweede lid Ob geeft aan welke regels niet opgenomen mogen worden. Dit zijn bepalingen
- die betrekking hebben op openbare orde en veiligheid en waarvoor de burgemeester het bevoegd gezag is
- die gericht zijn op het opleggen van straf bij het overtreden van de bepalingen in verordeningen
- die betrekking hebben op het invoeren, wijzigen of afschaffen van gemeentelijke belastingen.
In artikel 1.2, eerste lid Ow is aangegeven dat de Ow gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor de fysieke leefomgeving.
In artikel 1.2, tweede lid Ow geeft aan dat de fysieke leefomgeving in elk geval omvat:
a. bouwwerken
b. infrastructuur
c. watersystemen
d. water
e. bodem
f. lucht
g. landschappen
h. natuur
i. cultureel erfgoed
j. werelderfgoed
Artikel 1.2, derde lid Ow geeft aan dat als gevolgen voor de fysieke leefomgeving in ieder geval aangemerkt worden:
a. het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan
b. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen
c. activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt
d. het nalaten van activiteiten.
Artikel 1.2, vierde lid Ow geeft tot slot aan dat als gevolgen voor de fysieke leefomgeving ook aangemerkt worden, gevolgen voor de mens voor zover deze wordt of kan worden beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving.